Language Trip

Conjugation › Dutch › Begrijpen

Dutch · Verb Tables · Beginner

Begrijpen Conjugation

begrijpen means "to to understand" in Dutch. Simplest present: ik ik begrijp, jij / je jij begrijpt, u u begrijpt, hij / zij / het hij / zij / het begrijpt, wij wij begrijpen, jullie jullie begrijpen. Below: all 3 tenses we teach, with examples.

Simplest present Onvoltooid tegenwoordige tijd

Stem alone for ik, stem + -t for jij / u / hij / zij / het, and the infinitive (-en) form for all plurals. Used for what is happening now, general facts, and (with a time word) the near future.

ikik begrijp
jij / jejij begrijpt
uu begrijpt
hij / zij / hethij / zij / het begrijpt
wijwij begrijpen
julliejullie begrijpen
zijzij begrijpen

Simplest past Voltooid tegenwoordige tijd

The everyday past is heb/ben (present tense) + past participle at the end of the sentence: ik heb gewerkt (I worked / I have worked). Werken uses hebben; its participle is gewerkt. There is also a simple past (ik werkte, jij werkte...), common in writing and with a few frequent verbs, but in speech people almost always use the heb/ben + participle form.

ikik heb begrepen
jij / jejij hebt begrepen
uu hebt / heeft begrepen
hij / zij / hethij / zij / het heeft begrepen
wijwij hebben begrepen
julliejullie hebben begrepen
zijzij hebben begrepen

Simplest future Toekomende tijd (gaan + infinitief)

The simplest future uses a present-tense form of gaan (to go) plus the infinitive at the end: ik ga werken (I'm going to work). Zullen + infinitive (ik zal werken) is also used, especially for promises, offers and predictions.

ikik ga begrijpen
jij / jejij gaat begrijpen
uu gaat begrijpen
hij / zij / hethij / zij / het gaat begrijpen
wijwij gaan begrijpen
julliejullie gaan begrijpen
zijzij gaan begrijpen

Examples

Ik begrijp het niet.I don't understand.
Begrijpt u mij?Do you understand me?

Learn Dutch Free

Practice Begrijpen and every other verb with flashcards and verb drills in the Language Trip app and website. Free, no account needed, no ads.

All Dutch verb tables · Basic Dutch phrases