Conjugation › Dutch › Blijven
Dutch · Verb Tables · Advanced
blijven means "to stay" in Dutch. Present: ik blijf, jij / je blijft, u blijft, hij / zij / het blijft, wij / we blijven, jullie blijven. Below: all 16 tenses we teach, with examples.
Stem (infinitive minus -en) for ik; stem + -t for jij, u, hij; -en in the plural. After inversion the -t of jij is dropped (werk jij?). Used for now, habits, general truths and, very often, for the near future.
| ik | blijf |
| jij / je | blijft |
| u | blijft |
| hij / zij / het | blijft |
| wij / we | blijven |
| jullie | blijven |
| zij / ze | blijven |
Weak verbs add -te/-de (-ten/-den in the plural) to the stem, chosen by 't kofschip; strong verbs change the stem vowel and take no ending in the singular. Used for narration and for completed actions told as a story, especially in writing.
| ik | bleef |
| jij / je | bleef |
| u | bleef |
| hij / zij / het | bleef |
| wij / we | bleven |
| jullie | bleven |
| zij / ze | bleven |
Hebben or zijn in the present + past participle at the end of the clause. Zijn is used with verbs of change of place or state (ben gegaan, is gebleven) and hebben with most others; lopen takes hebben for the activity (ik heb een uur gelopen) and zijn for movement to a goal (ik ben naar huis gelopen). The usual past tense in conversation.
| ik | ben gebleven |
| jij / je | bent gebleven |
| u | bent gebleven |
| hij / zij / het | is gebleven |
| wij / we | zijn gebleven |
| jullie | zijn gebleven |
| zij / ze | zijn gebleven |
Had/was + past participle; an action completed before another past moment. Same hebben/zijn choice as in the perfect.
| ik | was gebleven |
| jij / je | was gebleven |
| u | was gebleven |
| hij / zij / het | was gebleven |
| wij / we | waren gebleven |
| jullie | waren gebleven |
| zij / ze | waren gebleven |
Zullen + infinitive at the end of the clause. Jij zult is standard; jij zal is very common in speech. It often expresses assumption (dat zal wel) more than plain future; the present tense is the everyday way to refer to the future.
| ik | zal blijven |
| jij / je | zult blijven |
| u | zult blijven |
| hij / zij / het | zal blijven |
| wij / we | zullen blijven |
| jullie | zullen blijven |
| zij / ze | zullen blijven |
Gaan + infinitive; a planned or imminent action, the most common spoken future. Not used for the verb gaan itself in the same way (je gaat gaan sounds clumsy).
| ik | ga blijven |
| jij / je | gaat blijven |
| u | gaat blijven |
| hij / zij / het | gaat blijven |
| wij / we | gaan blijven |
| jullie | gaan blijven |
| zij / ze | gaan blijven |
Zullen + hebben/zijn + past participle; an action that will be completed by a future moment, or a probable inference about the past (hij zal wel gewerkt hebben). Formal in tone.
| ik | zal zijn gebleven |
| jij / je | zult zijn gebleven |
| u | zult zijn gebleven |
| hij / zij / het | zal zijn gebleven |
| wij / we | zullen zijn gebleven |
| jullie | zullen zijn gebleven |
| zij / ze | zullen zijn gebleven |
Zou/zouden + infinitive. Used for hypotheses, polite requests and reported future from a past viewpoint (hij zei dat hij zou komen), so the "past future" and the conditional share one form.
| ik | zou blijven |
| jij / je | zou blijven |
| u | zou blijven |
| hij / zij / het | zou blijven |
| wij / we | zouden blijven |
| jullie | zouden blijven |
| zij / ze | zouden blijven |
Zou/zouden + hebben/zijn + past participle; an unreal past (als ik had gewerkt, zou ik het hebben gehaald) and the past-viewpoint equivalent of the future perfect. In speech zou gewerkt hebben is equally common.
| ik | zou zijn gebleven |
| jij / je | zou zijn gebleven |
| u | zou zijn gebleven |
| hij / zij / het | zou zijn gebleven |
| wij / we | zouden zijn gebleven |
| jullie | zouden zijn gebleven |
| zij / ze | zouden zijn gebleven |
Bare stem for jij (werk!). The polite u form is stem + -t with u after it (werkt u!, komt u binnen); jullie takes stem + -t. No first-person-singular imperative exists; we-hortative uses laten we. A Stems ending in -t keep it (wacht u!).
| ik | — |
| jij / je | blijf |
| u | blijft u |
| hij / zij / het | — |
| wij / we | laten we blijven |
| jullie | blijft |
| zij / ze | — |
Same forms with niet after the verb. Signs and general prohibitions use the infinitive instead (niet roken, niet lopen).
| ik | — |
| jij / je | blijf niet |
| u | blijft u niet |
| hij / zij / het | — |
| wij / we | laten we niet blijven |
| jullie | blijft niet |
| zij / ze | — |
Stem + -en (or -n after vowels). Also the dictionary form; after most modals it stands without te.
| blijven |
Te + infinitive after many verbs and adjectives (proberen, beginnen, hoeven, zonder, om); the pre-verb form is aan het for progressive and om ... te for purpose.
| te blijven |
Infinitive + -d (werkend, lopend); mostly adjectival or adverbial and rather written (de werkende bevolking, lachend zei hij).
| blijvend |
Ge- + stem + -t/-d for weak verbs (gewerkt, gewoond), ge- + changed stem + -en for strong verbs (gelopen). The ge- is dropped with inseparable prefixes (beginnen > begonnen).
| gebleven |
Het + infinitive acts as a neuter noun (het werken, het wonen, het lopen).
| het blijven |
| Ik blijf vanavond thuis. | I am staying at home tonight. |
| Blijf zitten! | Stay seated! |
Practice Blijven and every other verb with flashcards and verb drills in the Language Trip app and website. Free, no account needed, no ads.