Language Trip

Conjugation › Dutch › Doen

Dutch · Verb Tables · Advanced

Doen Conjugation

doen means "to do" in Dutch. Present: ik doe, jij / je doet, u doet, hij / zij / het doet, wij / we doen, jullie doen. Below: all 23 tenses we teach, with examples.

Present Onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)

Stem (infinitive minus -en) for ik; stem + -t for jij, u, hij; -en in the plural. After inversion the -t of jij is dropped (werk jij?). Used for now, habits, general truths and, very often, for the near future.

ikdoe
jij / jedoet
udoet
hij / zij / hetdoet
wij / wedoen
julliedoen
zij / zedoen

Present continuous Progressief: aan het + infinitive

Zijn + aan het + infinitive; stresses an action in progress right now. Not used with stative verbs such as wonen (zitten/staan/liggen/lopen + te + infinitive is the regional-or-nuanced alternative: hij staat te werken).

ikben aan het doen
jij / jebent aan het doen
ubent aan het doen
hij / zij / hetis aan het doen
wij / wezijn aan het doen
julliezijn aan het doen
zij / zezijn aan het doen

Simple past Onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)

Weak verbs add -te/-de (-ten/-den in the plural) to the stem, chosen by 't kofschip; strong verbs change the stem vowel and take no ending in the singular. Used for narration and for completed actions told as a story, especially in writing.

ikdeed
jij / jedeed
udeed
hij / zij / hetdeed
wij / wededen
julliededen
zij / zededen

Present perfect Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

Hebben or zijn in the present + past participle at the end of the clause. Zijn is used with verbs of change of place or state (ben gegaan, is gebleven) and hebben with most others; lopen takes hebben for the activity (ik heb een uur gelopen) and zijn for movement to a goal (ik ben naar huis gelopen). The usual past tense in conversation.

ikheb gedaan
jij / jehebt gedaan
uhebt gedaan
hij / zij / hetheeft gedaan
wij / wehebben gedaan
julliehebben gedaan
zij / zehebben gedaan

Past perfect Voltooid verleden tijd (v.v.t.)

Had/was + past participle; an action completed before another past moment. Same hebben/zijn choice as in the perfect.

ikhad gedaan
jij / jehad gedaan
uhad gedaan
hij / zij / hethad gedaan
wij / wehadden gedaan
julliehadden gedaan
zij / zehadden gedaan

Future Onvoltooid toekomende tijd (o.t.t.)

Zullen + infinitive at the end of the clause. Jij zult is standard; jij zal is very common in speech. It often expresses assumption (dat zal wel) more than plain future; the present tense is the everyday way to refer to the future.

ikzal doen
jij / jezult doen
uzult doen
hij / zij / hetzal doen
wij / wezullen doen
julliezullen doen
zij / zezullen doen

Near future with gaan Gaan-toekomst

Gaan + infinitive; a planned or imminent action, the most common spoken future. Not used for the verb gaan itself in the same way (je gaat gaan sounds clumsy).

ikga doen
jij / jegaat doen
ugaat doen
hij / zij / hetgaat doen
wij / wegaan doen
julliegaan doen
zij / zegaan doen

Future perfect Voltooid toekomende tijd (v.t.t.)

Zullen + hebben/zijn + past participle; an action that will be completed by a future moment, or a probable inference about the past (hij zal wel gewerkt hebben). Formal in tone.

ikzal hebben gedaan
jij / jezult hebben gedaan
uzult hebben gedaan
hij / zij / hetzal hebben gedaan
wij / wezullen hebben gedaan
julliezullen hebben gedaan
zij / zezullen hebben gedaan

Conditional / past future Onvoltooid verleden toekomende tijd; conditionalis

Zou/zouden + infinitive. Used for hypotheses, polite requests and reported future from a past viewpoint (hij zei dat hij zou komen), so the "past future" and the conditional share one form.

ikzou doen
jij / jezou doen
uzou doen
hij / zij / hetzou doen
wij / wezouden doen
julliezouden doen
zij / zezouden doen

Conditional perfect / future perfect in the past Voltooid verleden toekomende tijd

Zou/zouden + hebben/zijn + past participle; an unreal past (als ik had gewerkt, zou ik het hebben gehaald) and the past-viewpoint equivalent of the future perfect. In speech zou gewerkt hebben is equally common.

ikzou hebben gedaan
jij / jezou hebben gedaan
uzou hebben gedaan
hij / zij / hetzou hebben gedaan
wij / wezouden hebben gedaan
julliezouden hebben gedaan
zij / zezouden hebben gedaan

Affirmative imperative Gebiedende wijs, bevestigend

Bare stem for jij (werk!). The polite u form is stem + -t with u after it (werkt u!, komt u binnen); jullie takes stem + -t. No first-person-singular imperative exists; we-hortative uses laten we. A Stems ending in -t keep it (wacht u!).

ik—
jij / jedoe
udoet u
hij / zij / het—
wij / welaten we doen
julliedoet
zij / ze—

Negative imperative Gebiedende wijs, ontkennend

Same forms with niet after the verb. Signs and general prohibitions use the infinitive instead (niet roken, niet lopen).

ik—
jij / jedoe niet
udoet u niet
hij / zij / het—
wij / welaten we niet doen
julliedoet niet
zij / ze—

Infinitive Onbepaalde wijs (infinitief)

Stem + -en (or -n after vowels). Also the dictionary form; after most modals it stands without te.

doen

Infinitive with te Te-infinitief

Te + infinitive after many verbs and adjectives (proberen, beginnen, hoeven, zonder, om); the pre-verb form is aan het for progressive and om ... te for purpose.

te doen

Present participle Tegenwoordig deelwoord

Infinitive + -d (werkend, lopend); mostly adjectival or adverbial and rather written (de werkende bevolking, lachend zei hij).

doende

Past participle Voltooid deelwoord

Ge- + stem + -t/-d for weak verbs (gewerkt, gewoond), ge- + changed stem + -en for strong verbs (gelopen). The ge- is dropped with inseparable prefixes (beginnen > begonnen).

gedaan

Nominalised infinitive Zelfstandig gebruikt infinitief

Het + infinitive acts as a neuter noun (het werken, het wonen, het lopen).

het doen

Present passive (impersonal) Lijdende vorm, o.t.t.

Worden + past participle. The three model verbs are intransitive, so only the impersonal er wordt gewerkt exists (third person, no subject); a transitive verb like lezen forms the full set: het boek wordt gelezen, de boeken worden gelezen.

ikword gedaan
jij / jewordt gedaan
uwordt gedaan
hij / zij / hetwordt gedaan
wij / weworden gedaan
jullieworden gedaan
zij / zeworden gedaan

Past passive (impersonal) Lijdende vorm, o.v.t.

Werd + past participle; with transitive verbs: het boek werd gelezen.

ikwerd gedaan
jij / jewerd gedaan
uwerd gedaan
hij / zij / hetwerd gedaan
wij / wewerden gedaan
julliewerden gedaan
zij / zewerden gedaan

Perfect passive (impersonal) Lijdende vorm, v.t.t.

Is/zijn + past participle (worden is left out): er is gewerkt, het boek is gelezen.

ikben gedaan
jij / jebent gedaan
ubent gedaan
hij / zij / hetis gedaan
wij / wezijn gedaan
julliezijn gedaan
zij / zezijn gedaan

Pluperfect passive (impersonal) Lijdende vorm, v.v.t.

Was/waren + past participle: er was gewerkt, het boek was gelezen.

ikwas gedaan
jij / jewas gedaan
uwas gedaan
hij / zij / hetwas gedaan
wij / wewaren gedaan
julliewaren gedaan
zij / zewaren gedaan

Future passive (impersonal) Lijdende vorm, toekomst

Zullen + worden + past participle: er zal worden gewerkt (also: zal gewerkt worden).

ikzal worden gedaan
jij / jezult worden gedaan
uzult worden gedaan
hij / zij / hetzal worden gedaan
wij / wezullen worden gedaan
julliezullen worden gedaan
zij / zezullen worden gedaan

Conditional passive (impersonal) Lijdende vorm, conditionalis

Zou + worden + past participle: er zou worden gewerkt.

ikzou worden gedaan
jij / jezou worden gedaan
uzou worden gedaan
hij / zij / hetzou worden gedaan
wij / wezouden worden gedaan
julliezouden worden gedaan
zij / zezouden worden gedaan

Examples

Wat doe je vandaag?What are you doing today?
Doe de deur dicht!Close the door!

Learn Dutch Free

Practice Doen and every other verb with flashcards and verb drills in the Language Trip app and website. Free, no account needed, no ads.

All Dutch verb tables · Basic Dutch phrases