Language Trip

Conjugation › Dutch › Eten

Dutch · Verb Tables · Advanced

Eten Conjugation

eten means "to eat" in Dutch. Present: ik eet, jij / je eet, u eet, hij / zij / het eet, wij / we eten, jullie eten. Below: all 23 tenses we teach, with examples.

Present Onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)

Stem (infinitive minus -en) for ik; stem + -t for jij, u, hij; -en in the plural. After inversion the -t of jij is dropped (werk jij?). Used for now, habits, general truths and, very often, for the near future.

ikeet
jij / jeeet
ueet
hij / zij / heteet
wij / weeten
jullieeten
zij / zeeten

Present continuous Progressief: aan het + infinitive

Zijn + aan het + infinitive; stresses an action in progress right now. Not used with stative verbs such as wonen (zitten/staan/liggen/lopen + te + infinitive is the regional-or-nuanced alternative: hij staat te werken).

ikben aan het eten
jij / jebent aan het eten
ubent aan het eten
hij / zij / hetis aan het eten
wij / wezijn aan het eten
julliezijn aan het eten
zij / zezijn aan het eten

Simple past Onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)

Weak verbs add -te/-de (-ten/-den in the plural) to the stem, chosen by 't kofschip; strong verbs change the stem vowel and take no ending in the singular. Used for narration and for completed actions told as a story, especially in writing.

ikat
jij / jeat
uat
hij / zij / hetat
wij / weaten
jullieaten
zij / zeaten

Present perfect Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

Hebben or zijn in the present + past participle at the end of the clause. Zijn is used with verbs of change of place or state (ben gegaan, is gebleven) and hebben with most others; lopen takes hebben for the activity (ik heb een uur gelopen) and zijn for movement to a goal (ik ben naar huis gelopen). The usual past tense in conversation.

ikheb gegeten
jij / jehebt gegeten
uhebt gegeten
hij / zij / hetheeft gegeten
wij / wehebben gegeten
julliehebben gegeten
zij / zehebben gegeten

Past perfect Voltooid verleden tijd (v.v.t.)

Had/was + past participle; an action completed before another past moment. Same hebben/zijn choice as in the perfect.

ikhad gegeten
jij / jehad gegeten
uhad gegeten
hij / zij / hethad gegeten
wij / wehadden gegeten
julliehadden gegeten
zij / zehadden gegeten

Future Onvoltooid toekomende tijd (o.t.t.)

Zullen + infinitive at the end of the clause. Jij zult is standard; jij zal is very common in speech. It often expresses assumption (dat zal wel) more than plain future; the present tense is the everyday way to refer to the future.

ikzal eten
jij / jezult eten
uzult eten
hij / zij / hetzal eten
wij / wezullen eten
julliezullen eten
zij / zezullen eten

Near future with gaan Gaan-toekomst

Gaan + infinitive; a planned or imminent action, the most common spoken future. Not used for the verb gaan itself in the same way (je gaat gaan sounds clumsy).

ikga eten
jij / jegaat eten
ugaat eten
hij / zij / hetgaat eten
wij / wegaan eten
julliegaan eten
zij / zegaan eten

Future perfect Voltooid toekomende tijd (v.t.t.)

Zullen + hebben/zijn + past participle; an action that will be completed by a future moment, or a probable inference about the past (hij zal wel gewerkt hebben). Formal in tone.

ikzal hebben gegeten
jij / jezult hebben gegeten
uzult hebben gegeten
hij / zij / hetzal hebben gegeten
wij / wezullen hebben gegeten
julliezullen hebben gegeten
zij / zezullen hebben gegeten

Conditional / past future Onvoltooid verleden toekomende tijd; conditionalis

Zou/zouden + infinitive. Used for hypotheses, polite requests and reported future from a past viewpoint (hij zei dat hij zou komen), so the "past future" and the conditional share one form.

ikzou eten
jij / jezou eten
uzou eten
hij / zij / hetzou eten
wij / wezouden eten
julliezouden eten
zij / zezouden eten

Conditional perfect / future perfect in the past Voltooid verleden toekomende tijd

Zou/zouden + hebben/zijn + past participle; an unreal past (als ik had gewerkt, zou ik het hebben gehaald) and the past-viewpoint equivalent of the future perfect. In speech zou gewerkt hebben is equally common.

ikzou hebben gegeten
jij / jezou hebben gegeten
uzou hebben gegeten
hij / zij / hetzou hebben gegeten
wij / wezouden hebben gegeten
julliezouden hebben gegeten
zij / zezouden hebben gegeten

Affirmative imperative Gebiedende wijs, bevestigend

Bare stem for jij (werk!). The polite u form is stem + -t with u after it (werkt u!, komt u binnen); jullie takes stem + -t. No first-person-singular imperative exists; we-hortative uses laten we. A Stems ending in -t keep it (wacht u!).

ik—
jij / jeeet
ueet u
hij / zij / het—
wij / welaten we eten
jullieeet
zij / ze—

Negative imperative Gebiedende wijs, ontkennend

Same forms with niet after the verb. Signs and general prohibitions use the infinitive instead (niet roken, niet lopen).

ik—
jij / jeeet niet
ueet u niet
hij / zij / het—
wij / welaten we niet eten
jullieeet niet
zij / ze—

Infinitive Onbepaalde wijs (infinitief)

Stem + -en (or -n after vowels). Also the dictionary form; after most modals it stands without te.

eten

Infinitive with te Te-infinitief

Te + infinitive after many verbs and adjectives (proberen, beginnen, hoeven, zonder, om); the pre-verb form is aan het for progressive and om ... te for purpose.

te eten

Present participle Tegenwoordig deelwoord

Infinitive + -d (werkend, lopend); mostly adjectival or adverbial and rather written (de werkende bevolking, lachend zei hij).

etend

Past participle Voltooid deelwoord

Ge- + stem + -t/-d for weak verbs (gewerkt, gewoond), ge- + changed stem + -en for strong verbs (gelopen). The ge- is dropped with inseparable prefixes (beginnen > begonnen).

gegeten

Nominalised infinitive Zelfstandig gebruikt infinitief

Het + infinitive acts as a neuter noun (het werken, het wonen, het lopen).

het eten

Present passive (impersonal) Lijdende vorm, o.t.t.

Worden + past participle. The three model verbs are intransitive, so only the impersonal er wordt gewerkt exists (third person, no subject); a transitive verb like lezen forms the full set: het boek wordt gelezen, de boeken worden gelezen.

ikword gegeten
jij / jewordt gegeten
uwordt gegeten
hij / zij / hetwordt gegeten
wij / weworden gegeten
jullieworden gegeten
zij / zeworden gegeten

Past passive (impersonal) Lijdende vorm, o.v.t.

Werd + past participle; with transitive verbs: het boek werd gelezen.

ikwerd gegeten
jij / jewerd gegeten
uwerd gegeten
hij / zij / hetwerd gegeten
wij / wewerden gegeten
julliewerden gegeten
zij / zewerden gegeten

Perfect passive (impersonal) Lijdende vorm, v.t.t.

Is/zijn + past participle (worden is left out): er is gewerkt, het boek is gelezen.

ikben gegeten
jij / jebent gegeten
ubent gegeten
hij / zij / hetis gegeten
wij / wezijn gegeten
julliezijn gegeten
zij / zezijn gegeten

Pluperfect passive (impersonal) Lijdende vorm, v.v.t.

Was/waren + past participle: er was gewerkt, het boek was gelezen.

ikwas gegeten
jij / jewas gegeten
uwas gegeten
hij / zij / hetwas gegeten
wij / wewaren gegeten
julliewaren gegeten
zij / zewaren gegeten

Future passive (impersonal) Lijdende vorm, toekomst

Zullen + worden + past participle: er zal worden gewerkt (also: zal gewerkt worden).

ikzal worden gegeten
jij / jezult worden gegeten
uzult worden gegeten
hij / zij / hetzal worden gegeten
wij / wezullen worden gegeten
julliezullen worden gegeten
zij / zezullen worden gegeten

Conditional passive (impersonal) Lijdende vorm, conditionalis

Zou + worden + past participle: er zou worden gewerkt.

ikzou worden gegeten
jij / jezou worden gegeten
uzou worden gegeten
hij / zij / hetzou worden gegeten
wij / wezouden worden gegeten
julliezouden worden gegeten
zij / zezouden worden gegeten

Examples

Wij eten om zes uur.We eat at six o'clock.
Eet smakelijk!Enjoy your meal!

Learn Dutch Free

Practice Eten and every other verb with flashcards and verb drills in the Language Trip app and website. Free, no account needed, no ads.

All Dutch verb tables · Basic Dutch phrases