Language Trip

Conjugation › Dutch › Gaan

Dutch · Verb Tables · Advanced

Gaan Conjugation

gaan means "to go" in Dutch. Present: ik ga, jij / je gaat, u gaat, hij / zij / het gaat, wij / we gaan, jullie gaan. Below: all 15 tenses we teach, with examples.

Present Onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)

Stem (infinitive minus -en) for ik; stem + -t for jij, u, hij; -en in the plural. After inversion the -t of jij is dropped (werk jij?). Used for now, habits, general truths and, very often, for the near future.

ikga
jij / jegaat
ugaat
hij / zij / hetgaat
wij / wegaan
julliegaan
zij / zegaan

Simple past Onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)

Weak verbs add -te/-de (-ten/-den in the plural) to the stem, chosen by 't kofschip; strong verbs change the stem vowel and take no ending in the singular. Used for narration and for completed actions told as a story, especially in writing.

ikging
jij / jeging
uging
hij / zij / hetging
wij / wegingen
julliegingen
zij / zegingen

Present perfect Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

Hebben or zijn in the present + past participle at the end of the clause. Zijn is used with verbs of change of place or state (ben gegaan, is gebleven) and hebben with most others; lopen takes hebben for the activity (ik heb een uur gelopen) and zijn for movement to a goal (ik ben naar huis gelopen). The usual past tense in conversation.

ikben gegaan
jij / jebent gegaan
ubent gegaan
hij / zij / hetis gegaan
wij / wezijn gegaan
julliezijn gegaan
zij / zezijn gegaan

Past perfect Voltooid verleden tijd (v.v.t.)

Had/was + past participle; an action completed before another past moment. Same hebben/zijn choice as in the perfect.

ikwas gegaan
jij / jewas gegaan
uwas gegaan
hij / zij / hetwas gegaan
wij / wewaren gegaan
julliewaren gegaan
zij / zewaren gegaan

Future Onvoltooid toekomende tijd (o.t.t.)

Zullen + infinitive at the end of the clause. Jij zult is standard; jij zal is very common in speech. It often expresses assumption (dat zal wel) more than plain future; the present tense is the everyday way to refer to the future.

ikzal gaan
jij / jezult gaan
uzult gaan
hij / zij / hetzal gaan
wij / wezullen gaan
julliezullen gaan
zij / zezullen gaan

Future perfect Voltooid toekomende tijd (v.t.t.)

Zullen + hebben/zijn + past participle; an action that will be completed by a future moment, or a probable inference about the past (hij zal wel gewerkt hebben). Formal in tone.

ikzal zijn gegaan
jij / jezult zijn gegaan
uzult zijn gegaan
hij / zij / hetzal zijn gegaan
wij / wezullen zijn gegaan
julliezullen zijn gegaan
zij / zezullen zijn gegaan

Conditional / past future Onvoltooid verleden toekomende tijd; conditionalis

Zou/zouden + infinitive. Used for hypotheses, polite requests and reported future from a past viewpoint (hij zei dat hij zou komen), so the "past future" and the conditional share one form.

ikzou gaan
jij / jezou gaan
uzou gaan
hij / zij / hetzou gaan
wij / wezouden gaan
julliezouden gaan
zij / zezouden gaan

Conditional perfect / future perfect in the past Voltooid verleden toekomende tijd

Zou/zouden + hebben/zijn + past participle; an unreal past (als ik had gewerkt, zou ik het hebben gehaald) and the past-viewpoint equivalent of the future perfect. In speech zou gewerkt hebben is equally common.

ikzou zijn gegaan
jij / jezou zijn gegaan
uzou zijn gegaan
hij / zij / hetzou zijn gegaan
wij / wezouden zijn gegaan
julliezouden zijn gegaan
zij / zezouden zijn gegaan

Affirmative imperative Gebiedende wijs, bevestigend

Bare stem for jij (werk!). The polite u form is stem + -t with u after it (werkt u!, komt u binnen); jullie takes stem + -t. No first-person-singular imperative exists; we-hortative uses laten we. A Stems ending in -t keep it (wacht u!).

ik—
jij / jega
ugaat u
hij / zij / het—
wij / welaten we gaan
julliegaat
zij / ze—

Negative imperative Gebiedende wijs, ontkennend

Same forms with niet after the verb. Signs and general prohibitions use the infinitive instead (niet roken, niet lopen).

ik—
jij / jega niet
ugaat u niet
hij / zij / het—
wij / welaten we niet gaan
julliegaat niet
zij / ze—

Infinitive Onbepaalde wijs (infinitief)

Stem + -en (or -n after vowels). Also the dictionary form; after most modals it stands without te.

gaan

Infinitive with te Te-infinitief

Te + infinitive after many verbs and adjectives (proberen, beginnen, hoeven, zonder, om); the pre-verb form is aan het for progressive and om ... te for purpose.

te gaan

Present participle Tegenwoordig deelwoord

Infinitive + -d (werkend, lopend); mostly adjectival or adverbial and rather written (de werkende bevolking, lachend zei hij).

gaande

Past participle Voltooid deelwoord

Ge- + stem + -t/-d for weak verbs (gewerkt, gewoond), ge- + changed stem + -en for strong verbs (gelopen). The ge- is dropped with inseparable prefixes (beginnen > begonnen).

gegaan

Nominalised infinitive Zelfstandig gebruikt infinitief

Het + infinitive acts as a neuter noun (het werken, het wonen, het lopen).

het gaan

Examples

Wij gaan morgen naar Brussel.We are going to Brussels tomorrow.
Ga weg!Go away!

Learn Dutch Free

Practice Gaan and every other verb with flashcards and verb drills in the Language Trip app and website. Free, no account needed, no ads.

All Dutch verb tables · Basic Dutch phrases