Language Trip

Conjugation › Dutch › Heten

Dutch · Verb Tables · Advanced

Heten Conjugation

heten means "to be called" in Dutch. Present: ik heet, jij / je heet, u heet, hij / zij / het heet, wij / we heten, jullie heten. Below: all 14 tenses we teach, with examples.

Present Onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)

Stem (infinitive minus -en) for ik; stem + -t for jij, u, hij; -en in the plural. After inversion the -t of jij is dropped (werk jij?). Used for now, habits, general truths and, very often, for the near future.

ikheet
jij / jeheet
uheet
hij / zij / hetheet
wij / weheten
jullieheten
zij / zeheten

Simple past Onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)

Weak verbs add -te/-de (-ten/-den in the plural) to the stem, chosen by 't kofschip; strong verbs change the stem vowel and take no ending in the singular. Used for narration and for completed actions told as a story, especially in writing.

ikheette
jij / jeheette
uheette
hij / zij / hetheette
wij / weheetten
jullieheetten
zij / zeheetten

Present perfect Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

Hebben or zijn in the present + past participle at the end of the clause. Zijn is used with verbs of change of place or state (ben gegaan, is gebleven) and hebben with most others; lopen takes hebben for the activity (ik heb een uur gelopen) and zijn for movement to a goal (ik ben naar huis gelopen). The usual past tense in conversation.

ikheb geheten
jij / jehebt geheten
uhebt geheten
hij / zij / hetheeft geheten
wij / wehebben geheten
julliehebben geheten
zij / zehebben geheten

Past perfect Voltooid verleden tijd (v.v.t.)

Had/was + past participle; an action completed before another past moment. Same hebben/zijn choice as in the perfect.

ikhad geheten
jij / jehad geheten
uhad geheten
hij / zij / hethad geheten
wij / wehadden geheten
julliehadden geheten
zij / zehadden geheten

Future Onvoltooid toekomende tijd (o.t.t.)

Zullen + infinitive at the end of the clause. Jij zult is standard; jij zal is very common in speech. It often expresses assumption (dat zal wel) more than plain future; the present tense is the everyday way to refer to the future.

ikzal heten
jij / jezult heten
uzult heten
hij / zij / hetzal heten
wij / wezullen heten
julliezullen heten
zij / zezullen heten

Near future with gaan Gaan-toekomst

Gaan + infinitive; a planned or imminent action, the most common spoken future. Not used for the verb gaan itself in the same way (je gaat gaan sounds clumsy).

ikga heten
jij / jegaat heten
ugaat heten
hij / zij / hetgaat heten
wij / wegaan heten
julliegaan heten
zij / zegaan heten

Future perfect Voltooid toekomende tijd (v.t.t.)

Zullen + hebben/zijn + past participle; an action that will be completed by a future moment, or a probable inference about the past (hij zal wel gewerkt hebben). Formal in tone.

ikzal hebben geheten
jij / jezult hebben geheten
uzult hebben geheten
hij / zij / hetzal hebben geheten
wij / wezullen hebben geheten
julliezullen hebben geheten
zij / zezullen hebben geheten

Conditional / past future Onvoltooid verleden toekomende tijd; conditionalis

Zou/zouden + infinitive. Used for hypotheses, polite requests and reported future from a past viewpoint (hij zei dat hij zou komen), so the "past future" and the conditional share one form.

ikzou heten
jij / jezou heten
uzou heten
hij / zij / hetzou heten
wij / wezouden heten
julliezouden heten
zij / zezouden heten

Conditional perfect / future perfect in the past Voltooid verleden toekomende tijd

Zou/zouden + hebben/zijn + past participle; an unreal past (als ik had gewerkt, zou ik het hebben gehaald) and the past-viewpoint equivalent of the future perfect. In speech zou gewerkt hebben is equally common.

ikzou hebben geheten
jij / jezou hebben geheten
uzou hebben geheten
hij / zij / hetzou hebben geheten
wij / wezouden hebben geheten
julliezouden hebben geheten
zij / zezouden hebben geheten

Infinitive Onbepaalde wijs (infinitief)

Stem + -en (or -n after vowels). Also the dictionary form; after most modals it stands without te.

heten

Infinitive with te Te-infinitief

Te + infinitive after many verbs and adjectives (proberen, beginnen, hoeven, zonder, om); the pre-verb form is aan het for progressive and om ... te for purpose.

te heten

Present participle Tegenwoordig deelwoord

Infinitive + -d (werkend, lopend); mostly adjectival or adverbial and rather written (de werkende bevolking, lachend zei hij).

hetend

Past participle Voltooid deelwoord

Ge- + stem + -t/-d for weak verbs (gewerkt, gewoond), ge- + changed stem + -en for strong verbs (gelopen). The ge- is dropped with inseparable prefixes (beginnen > begonnen).

geheten

Nominalised infinitive Zelfstandig gebruikt infinitief

Het + infinitive acts as a neuter noun (het werken, het wonen, het lopen).

het heten

Examples

Hoe heet je?What is your name?
Ik heet Anna.My name is Anna.

Learn Dutch Free

Practice Heten and every other verb with flashcards and verb drills in the Language Trip app and website. Free, no account needed, no ads.

All Dutch verb tables · Basic Dutch phrases