Language Trip

Conjugation › Dutch › Lezen

Dutch · Verb Tables · Advanced

Lezen Conjugation

lezen means "to read" in Dutch. Present: ik lees, jij / je leest, u leest, hij / zij / het leest, wij / we lezen, jullie lezen. Below: all 23 tenses we teach, with examples.

Present Onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)

Stem (infinitive minus -en) for ik; stem + -t for jij, u, hij; -en in the plural. After inversion the -t of jij is dropped (werk jij?). Used for now, habits, general truths and, very often, for the near future.

iklees
jij / jeleest
uleest
hij / zij / hetleest
wij / welezen
jullielezen
zij / zelezen

Present continuous Progressief: aan het + infinitive

Zijn + aan het + infinitive; stresses an action in progress right now. Not used with stative verbs such as wonen (zitten/staan/liggen/lopen + te + infinitive is the regional-or-nuanced alternative: hij staat te werken).

ikben aan het lezen
jij / jebent aan het lezen
ubent aan het lezen
hij / zij / hetis aan het lezen
wij / wezijn aan het lezen
julliezijn aan het lezen
zij / zezijn aan het lezen

Simple past Onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)

Weak verbs add -te/-de (-ten/-den in the plural) to the stem, chosen by 't kofschip; strong verbs change the stem vowel and take no ending in the singular. Used for narration and for completed actions told as a story, especially in writing.

iklas
jij / jelas
ulas
hij / zij / hetlas
wij / welazen
jullielazen
zij / zelazen

Present perfect Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

Hebben or zijn in the present + past participle at the end of the clause. Zijn is used with verbs of change of place or state (ben gegaan, is gebleven) and hebben with most others; lopen takes hebben for the activity (ik heb een uur gelopen) and zijn for movement to a goal (ik ben naar huis gelopen). The usual past tense in conversation.

ikheb gelezen
jij / jehebt gelezen
uhebt gelezen
hij / zij / hetheeft gelezen
wij / wehebben gelezen
julliehebben gelezen
zij / zehebben gelezen

Past perfect Voltooid verleden tijd (v.v.t.)

Had/was + past participle; an action completed before another past moment. Same hebben/zijn choice as in the perfect.

ikhad gelezen
jij / jehad gelezen
uhad gelezen
hij / zij / hethad gelezen
wij / wehadden gelezen
julliehadden gelezen
zij / zehadden gelezen

Future Onvoltooid toekomende tijd (o.t.t.)

Zullen + infinitive at the end of the clause. Jij zult is standard; jij zal is very common in speech. It often expresses assumption (dat zal wel) more than plain future; the present tense is the everyday way to refer to the future.

ikzal lezen
jij / jezult lezen
uzult lezen
hij / zij / hetzal lezen
wij / wezullen lezen
julliezullen lezen
zij / zezullen lezen

Near future with gaan Gaan-toekomst

Gaan + infinitive; a planned or imminent action, the most common spoken future. Not used for the verb gaan itself in the same way (je gaat gaan sounds clumsy).

ikga lezen
jij / jegaat lezen
ugaat lezen
hij / zij / hetgaat lezen
wij / wegaan lezen
julliegaan lezen
zij / zegaan lezen

Future perfect Voltooid toekomende tijd (v.t.t.)

Zullen + hebben/zijn + past participle; an action that will be completed by a future moment, or a probable inference about the past (hij zal wel gewerkt hebben). Formal in tone.

ikzal hebben gelezen
jij / jezult hebben gelezen
uzult hebben gelezen
hij / zij / hetzal hebben gelezen
wij / wezullen hebben gelezen
julliezullen hebben gelezen
zij / zezullen hebben gelezen

Conditional / past future Onvoltooid verleden toekomende tijd; conditionalis

Zou/zouden + infinitive. Used for hypotheses, polite requests and reported future from a past viewpoint (hij zei dat hij zou komen), so the "past future" and the conditional share one form.

ikzou lezen
jij / jezou lezen
uzou lezen
hij / zij / hetzou lezen
wij / wezouden lezen
julliezouden lezen
zij / zezouden lezen

Conditional perfect / future perfect in the past Voltooid verleden toekomende tijd

Zou/zouden + hebben/zijn + past participle; an unreal past (als ik had gewerkt, zou ik het hebben gehaald) and the past-viewpoint equivalent of the future perfect. In speech zou gewerkt hebben is equally common.

ikzou hebben gelezen
jij / jezou hebben gelezen
uzou hebben gelezen
hij / zij / hetzou hebben gelezen
wij / wezouden hebben gelezen
julliezouden hebben gelezen
zij / zezouden hebben gelezen

Affirmative imperative Gebiedende wijs, bevestigend

Bare stem for jij (werk!). The polite u form is stem + -t with u after it (werkt u!, komt u binnen); jullie takes stem + -t. No first-person-singular imperative exists; we-hortative uses laten we. A Stems ending in -t keep it (wacht u!).

ik—
jij / jelees
uleest u
hij / zij / het—
wij / welaten we lezen
jullieleest
zij / ze—

Negative imperative Gebiedende wijs, ontkennend

Same forms with niet after the verb. Signs and general prohibitions use the infinitive instead (niet roken, niet lopen).

ik—
jij / jelees niet
uleest u niet
hij / zij / het—
wij / welaten we niet lezen
jullieleest niet
zij / ze—

Infinitive Onbepaalde wijs (infinitief)

Stem + -en (or -n after vowels). Also the dictionary form; after most modals it stands without te.

lezen

Infinitive with te Te-infinitief

Te + infinitive after many verbs and adjectives (proberen, beginnen, hoeven, zonder, om); the pre-verb form is aan het for progressive and om ... te for purpose.

te lezen

Present participle Tegenwoordig deelwoord

Infinitive + -d (werkend, lopend); mostly adjectival or adverbial and rather written (de werkende bevolking, lachend zei hij).

lezend

Past participle Voltooid deelwoord

Ge- + stem + -t/-d for weak verbs (gewerkt, gewoond), ge- + changed stem + -en for strong verbs (gelopen). The ge- is dropped with inseparable prefixes (beginnen > begonnen).

gelezen

Nominalised infinitive Zelfstandig gebruikt infinitief

Het + infinitive acts as a neuter noun (het werken, het wonen, het lopen).

het lezen

Present passive (impersonal) Lijdende vorm, o.t.t.

Worden + past participle. The three model verbs are intransitive, so only the impersonal er wordt gewerkt exists (third person, no subject); a transitive verb like lezen forms the full set: het boek wordt gelezen, de boeken worden gelezen.

ikword gelezen
jij / jewordt gelezen
uwordt gelezen
hij / zij / hetwordt gelezen
wij / weworden gelezen
jullieworden gelezen
zij / zeworden gelezen

Past passive (impersonal) Lijdende vorm, o.v.t.

Werd + past participle; with transitive verbs: het boek werd gelezen.

ikwerd gelezen
jij / jewerd gelezen
uwerd gelezen
hij / zij / hetwerd gelezen
wij / wewerden gelezen
julliewerden gelezen
zij / zewerden gelezen

Perfect passive (impersonal) Lijdende vorm, v.t.t.

Is/zijn + past participle (worden is left out): er is gewerkt, het boek is gelezen.

ikben gelezen
jij / jebent gelezen
ubent gelezen
hij / zij / hetis gelezen
wij / wezijn gelezen
julliezijn gelezen
zij / zezijn gelezen

Pluperfect passive (impersonal) Lijdende vorm, v.v.t.

Was/waren + past participle: er was gewerkt, het boek was gelezen.

ikwas gelezen
jij / jewas gelezen
uwas gelezen
hij / zij / hetwas gelezen
wij / wewaren gelezen
julliewaren gelezen
zij / zewaren gelezen

Future passive (impersonal) Lijdende vorm, toekomst

Zullen + worden + past participle: er zal worden gewerkt (also: zal gewerkt worden).

ikzal worden gelezen
jij / jezult worden gelezen
uzult worden gelezen
hij / zij / hetzal worden gelezen
wij / wezullen worden gelezen
julliezullen worden gelezen
zij / zezullen worden gelezen

Conditional passive (impersonal) Lijdende vorm, conditionalis

Zou + worden + past participle: er zou worden gewerkt.

ikzou worden gelezen
jij / jezou worden gelezen
uzou worden gelezen
hij / zij / hetzou worden gelezen
wij / wezouden worden gelezen
julliezouden worden gelezen
zij / zezouden worden gelezen

Examples

Ik lees elke avond een boek.I read a book every evening.
Lees dit even!Read this for a moment!

Learn Dutch Free

Practice Lezen and every other verb with flashcards and verb drills in the Language Trip app and website. Free, no account needed, no ads.

All Dutch verb tables · Basic Dutch phrases