Conjugation › Dutch › Moeten
Dutch · Verb Tables · Advanced
moeten means "to must" in Dutch. Present: ik moet, jij / je moet, u moet, hij / zij / het moet, wij / we moeten, jullie moeten. Below: all 13 tenses we teach, with examples.
Stem (infinitive minus -en) for ik; stem + -t for jij, u, hij; -en in the plural. After inversion the -t of jij is dropped (werk jij?). Used for now, habits, general truths and, very often, for the near future.
| ik | moet |
| jij / je | moet |
| u | moet |
| hij / zij / het | moet |
| wij / we | moeten |
| jullie | moeten |
| zij / ze | moeten |
Weak verbs add -te/-de (-ten/-den in the plural) to the stem, chosen by 't kofschip; strong verbs change the stem vowel and take no ending in the singular. Used for narration and for completed actions told as a story, especially in writing.
| ik | moest |
| jij / je | moest |
| u | moest |
| hij / zij / het | moest |
| wij / we | moesten |
| jullie | moesten |
| zij / ze | moesten |
Hebben or zijn in the present + past participle at the end of the clause. Zijn is used with verbs of change of place or state (ben gegaan, is gebleven) and hebben with most others; lopen takes hebben for the activity (ik heb een uur gelopen) and zijn for movement to a goal (ik ben naar huis gelopen). The usual past tense in conversation.
| ik | heb gemoeten |
| jij / je | hebt gemoeten |
| u | hebt gemoeten |
| hij / zij / het | heeft gemoeten |
| wij / we | hebben gemoeten |
| jullie | hebben gemoeten |
| zij / ze | hebben gemoeten |
Had/was + past participle; an action completed before another past moment. Same hebben/zijn choice as in the perfect.
| ik | had gemoeten |
| jij / je | had gemoeten |
| u | had gemoeten |
| hij / zij / het | had gemoeten |
| wij / we | hadden gemoeten |
| jullie | hadden gemoeten |
| zij / ze | hadden gemoeten |
Zullen + infinitive at the end of the clause. Jij zult is standard; jij zal is very common in speech. It often expresses assumption (dat zal wel) more than plain future; the present tense is the everyday way to refer to the future.
| ik | zal moeten |
| jij / je | zult moeten |
| u | zult moeten |
| hij / zij / het | zal moeten |
| wij / we | zullen moeten |
| jullie | zullen moeten |
| zij / ze | zullen moeten |
Gaan + infinitive; a planned or imminent action, the most common spoken future. Not used for the verb gaan itself in the same way (je gaat gaan sounds clumsy).
| ik | ga moeten |
| jij / je | gaat moeten |
| u | gaat moeten |
| hij / zij / het | gaat moeten |
| wij / we | gaan moeten |
| jullie | gaan moeten |
| zij / ze | gaan moeten |
Zullen + hebben/zijn + past participle; an action that will be completed by a future moment, or a probable inference about the past (hij zal wel gewerkt hebben). Formal in tone.
| ik | zal hebben gemoeten |
| jij / je | zult hebben gemoeten |
| u | zult hebben gemoeten |
| hij / zij / het | zal hebben gemoeten |
| wij / we | zullen hebben gemoeten |
| jullie | zullen hebben gemoeten |
| zij / ze | zullen hebben gemoeten |
Zou/zouden + infinitive. Used for hypotheses, polite requests and reported future from a past viewpoint (hij zei dat hij zou komen), so the "past future" and the conditional share one form.
| ik | zou moeten |
| jij / je | zou moeten |
| u | zou moeten |
| hij / zij / het | zou moeten |
| wij / we | zouden moeten |
| jullie | zouden moeten |
| zij / ze | zouden moeten |
Zou/zouden + hebben/zijn + past participle; an unreal past (als ik had gewerkt, zou ik het hebben gehaald) and the past-viewpoint equivalent of the future perfect. In speech zou gewerkt hebben is equally common.
| ik | zou hebben gemoeten |
| jij / je | zou hebben gemoeten |
| u | zou hebben gemoeten |
| hij / zij / het | zou hebben gemoeten |
| wij / we | zouden hebben gemoeten |
| jullie | zouden hebben gemoeten |
| zij / ze | zouden hebben gemoeten |
Stem + -en (or -n after vowels). Also the dictionary form; after most modals it stands without te.
| moeten |
Te + infinitive after many verbs and adjectives (proberen, beginnen, hoeven, zonder, om); the pre-verb form is aan het for progressive and om ... te for purpose.
| te moeten |
Ge- + stem + -t/-d for weak verbs (gewerkt, gewoond), ge- + changed stem + -en for strong verbs (gelopen). The ge- is dropped with inseparable prefixes (beginnen > begonnen).
| gemoeten |
Het + infinitive acts as a neuter noun (het werken, het wonen, het lopen).
| het moeten |
| Ik moet nu naar huis. | I must go home now. |
| Hij moest de hele nacht werken. | He had to work all night. |
Practice Moeten and every other verb with flashcards and verb drills in the Language Trip app and website. Free, no account needed, no ads.