Language Trip

Conjugation › Dutch › Slapen

Dutch · Verb Tables · Advanced

Slapen Conjugation

slapen means "to sleep" in Dutch. Present: ik slaap, jij / je slaapt, u slaapt, hij / zij / het slaapt, wij / we slapen, jullie slapen. Below: all 23 tenses we teach, with examples.

Present Onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)

Stem (infinitive minus -en) for ik; stem + -t for jij, u, hij; -en in the plural. After inversion the -t of jij is dropped (werk jij?). Used for now, habits, general truths and, very often, for the near future.

ikslaap
jij / jeslaapt
uslaapt
hij / zij / hetslaapt
wij / weslapen
jullieslapen
zij / zeslapen

Present continuous Progressief: aan het + infinitive

Zijn + aan het + infinitive; stresses an action in progress right now. Not used with stative verbs such as wonen (zitten/staan/liggen/lopen + te + infinitive is the regional-or-nuanced alternative: hij staat te werken).

ikben aan het slapen
jij / jebent aan het slapen
ubent aan het slapen
hij / zij / hetis aan het slapen
wij / wezijn aan het slapen
julliezijn aan het slapen
zij / zezijn aan het slapen

Simple past Onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)

Weak verbs add -te/-de (-ten/-den in the plural) to the stem, chosen by 't kofschip; strong verbs change the stem vowel and take no ending in the singular. Used for narration and for completed actions told as a story, especially in writing.

iksliep
jij / jesliep
usliep
hij / zij / hetsliep
wij / wesliepen
julliesliepen
zij / zesliepen

Present perfect Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

Hebben or zijn in the present + past participle at the end of the clause. Zijn is used with verbs of change of place or state (ben gegaan, is gebleven) and hebben with most others; lopen takes hebben for the activity (ik heb een uur gelopen) and zijn for movement to a goal (ik ben naar huis gelopen). The usual past tense in conversation.

ikheb geslapen
jij / jehebt geslapen
uhebt geslapen
hij / zij / hetheeft geslapen
wij / wehebben geslapen
julliehebben geslapen
zij / zehebben geslapen

Past perfect Voltooid verleden tijd (v.v.t.)

Had/was + past participle; an action completed before another past moment. Same hebben/zijn choice as in the perfect.

ikhad geslapen
jij / jehad geslapen
uhad geslapen
hij / zij / hethad geslapen
wij / wehadden geslapen
julliehadden geslapen
zij / zehadden geslapen

Future Onvoltooid toekomende tijd (o.t.t.)

Zullen + infinitive at the end of the clause. Jij zult is standard; jij zal is very common in speech. It often expresses assumption (dat zal wel) more than plain future; the present tense is the everyday way to refer to the future.

ikzal slapen
jij / jezult slapen
uzult slapen
hij / zij / hetzal slapen
wij / wezullen slapen
julliezullen slapen
zij / zezullen slapen

Near future with gaan Gaan-toekomst

Gaan + infinitive; a planned or imminent action, the most common spoken future. Not used for the verb gaan itself in the same way (je gaat gaan sounds clumsy).

ikga slapen
jij / jegaat slapen
ugaat slapen
hij / zij / hetgaat slapen
wij / wegaan slapen
julliegaan slapen
zij / zegaan slapen

Future perfect Voltooid toekomende tijd (v.t.t.)

Zullen + hebben/zijn + past participle; an action that will be completed by a future moment, or a probable inference about the past (hij zal wel gewerkt hebben). Formal in tone.

ikzal hebben geslapen
jij / jezult hebben geslapen
uzult hebben geslapen
hij / zij / hetzal hebben geslapen
wij / wezullen hebben geslapen
julliezullen hebben geslapen
zij / zezullen hebben geslapen

Conditional / past future Onvoltooid verleden toekomende tijd; conditionalis

Zou/zouden + infinitive. Used for hypotheses, polite requests and reported future from a past viewpoint (hij zei dat hij zou komen), so the "past future" and the conditional share one form.

ikzou slapen
jij / jezou slapen
uzou slapen
hij / zij / hetzou slapen
wij / wezouden slapen
julliezouden slapen
zij / zezouden slapen

Conditional perfect / future perfect in the past Voltooid verleden toekomende tijd

Zou/zouden + hebben/zijn + past participle; an unreal past (als ik had gewerkt, zou ik het hebben gehaald) and the past-viewpoint equivalent of the future perfect. In speech zou gewerkt hebben is equally common.

ikzou hebben geslapen
jij / jezou hebben geslapen
uzou hebben geslapen
hij / zij / hetzou hebben geslapen
wij / wezouden hebben geslapen
julliezouden hebben geslapen
zij / zezouden hebben geslapen

Affirmative imperative Gebiedende wijs, bevestigend

Bare stem for jij (werk!). The polite u form is stem + -t with u after it (werkt u!, komt u binnen); jullie takes stem + -t. No first-person-singular imperative exists; we-hortative uses laten we. A Stems ending in -t keep it (wacht u!).

ik—
jij / jeslaap
uslaapt u
hij / zij / het—
wij / welaten we slapen
jullieslaapt
zij / ze—

Negative imperative Gebiedende wijs, ontkennend

Same forms with niet after the verb. Signs and general prohibitions use the infinitive instead (niet roken, niet lopen).

ik—
jij / jeslaap niet
uslaapt u niet
hij / zij / het—
wij / welaten we niet slapen
jullieslaapt niet
zij / ze—

Infinitive Onbepaalde wijs (infinitief)

Stem + -en (or -n after vowels). Also the dictionary form; after most modals it stands without te.

slapen

Infinitive with te Te-infinitief

Te + infinitive after many verbs and adjectives (proberen, beginnen, hoeven, zonder, om); the pre-verb form is aan het for progressive and om ... te for purpose.

te slapen

Present participle Tegenwoordig deelwoord

Infinitive + -d (werkend, lopend); mostly adjectival or adverbial and rather written (de werkende bevolking, lachend zei hij).

slapend

Past participle Voltooid deelwoord

Ge- + stem + -t/-d for weak verbs (gewerkt, gewoond), ge- + changed stem + -en for strong verbs (gelopen). The ge- is dropped with inseparable prefixes (beginnen > begonnen).

geslapen

Nominalised infinitive Zelfstandig gebruikt infinitief

Het + infinitive acts as a neuter noun (het werken, het wonen, het lopen).

het slapen

Present passive (impersonal) Lijdende vorm, o.t.t.

Worden + past participle. The three model verbs are intransitive, so only the impersonal er wordt gewerkt exists (third person, no subject); a transitive verb like lezen forms the full set: het boek wordt gelezen, de boeken worden gelezen.

ik—
jij / je—
u—
hij / zij / hetwordt geslapen
wij / we—
jullie—
zij / ze—

Past passive (impersonal) Lijdende vorm, o.v.t.

Werd + past participle; with transitive verbs: het boek werd gelezen.

ik—
jij / je—
u—
hij / zij / hetwerd geslapen
wij / we—
jullie—
zij / ze—

Perfect passive (impersonal) Lijdende vorm, v.t.t.

Is/zijn + past participle (worden is left out): er is gewerkt, het boek is gelezen.

ik—
jij / je—
u—
hij / zij / hetis geslapen
wij / we—
jullie—
zij / ze—

Pluperfect passive (impersonal) Lijdende vorm, v.v.t.

Was/waren + past participle: er was gewerkt, het boek was gelezen.

ik—
jij / je—
u—
hij / zij / hetwas geslapen
wij / we—
jullie—
zij / ze—

Future passive (impersonal) Lijdende vorm, toekomst

Zullen + worden + past participle: er zal worden gewerkt (also: zal gewerkt worden).

ik—
jij / je—
u—
hij / zij / hetzal worden geslapen
wij / we—
jullie—
zij / ze—

Conditional passive (impersonal) Lijdende vorm, conditionalis

Zou + worden + past participle: er zou worden gewerkt.

ik—
jij / je—
u—
hij / zij / hetzou worden geslapen
wij / we—
jullie—
zij / ze—

Examples

Het kind slaapt al.The child is already asleep.
Slaap lekker!Sleep well!

Learn Dutch Free

Practice Slapen and every other verb with flashcards and verb drills in the Language Trip app and website. Free, no account needed, no ads.

All Dutch verb tables · Basic Dutch phrases