Conjugation › Dutch › Vertrekken
Dutch · Verb Tables · Intermediate
vertrekken means "to to leave / depart" in Dutch. Present: ik ik vertrek, jij / je jij vertrekt, u u vertrekt, hij / zij / het hij / zij / het vertrekt, wij / we wij vertrekken, jullie jullie vertrekken. Below: all 11 tenses we teach, with examples.
Stem alone for ik, stem + -t for jij / u / hij / zij / het, and the -en infinitive form for all plurals. Used for what is happening now, general facts, and (with a time word) the near future. When jij is inverted after the verb in a question, drop the -t: "Werk jij hier?" but "Werkt u hier?" stays with the -t.
| ik | ik vertrek |
| jij / je | jij vertrekt |
| u | u vertrekt |
| hij / zij / het | hij / zij / het vertrekt |
| wij / we | wij vertrekken |
| jullie | jullie vertrekken |
| zij / ze | zij vertrekken |
A construction, not a separate conjugation: a present-tense form of zijn + aan het + infinitive, used only when it matters that something is happening right now, not as a form Dutch requires in every sentence the way English does (the plain present usually covers "I work" and "I am working" alike).
| ik | ik ben aan het vertrekken |
| jij / je | jij bent aan het vertrekken |
| u | u bent aan het vertrekken |
| hij / zij / het | hij / zij / het is aan het vertrekken |
| wij / we | wij zijn aan het vertrekken |
| jullie | jullie zijn aan het vertrekken |
| zij / ze | zij zijn aan het vertrekken |
Weak verbs add -te (after a 't kofschip consonant: t, k, f, s, ch, p) or -de (otherwise) to the stem, with -n added in the plural: werk- -> werkte/werkten, but speel- -> speelde/speelden. Used mainly in writing and with very frequent verbs (was, had, kon, wilde); in speech the present perfect below is far more common for everyday past narration.
| ik | ik vertrok |
| jij / je | jij vertrok |
| u | u vertrok |
| hij / zij / het | hij / zij / het vertrok |
| wij / we | wij vertrokken |
| jullie | jullie vertrokken |
| zij / ze | zij vertrokken |
The everyday past: a present-tense form of hebben or zijn + past participle at the end of the clause. Werken takes hebben; its participle is gewerkt (ge- + stem + -t, following 't kofschip). This is the normal way to talk about the past in speech.
| ik | ik ben vertrokken |
| jij / je | jij bent vertrokken |
| u | u bent vertrokken |
| hij / zij / het | hij / zij / het is vertrokken |
| wij / we | wij zijn vertrokken |
| jullie | jullie zijn vertrokken |
| zij / ze | zij zijn vertrokken |
The past-tense form of hebben or zijn (had/was) + past participle, for something that had already happened before another past moment.
| ik | ik was vertrokken |
| jij / je | jij was vertrokken |
| u | u was vertrokken |
| hij / zij / het | hij / zij / het was vertrokken |
| wij / we | wij waren vertrokken |
| jullie | jullie waren vertrokken |
| zij / ze | zij waren vertrokken |
The everyday, colloquial future: a present-tense form of gaan (to go) + infinitive at the end. Used for plans and near-certain future events, much like English "going to".
| ik | ik ga vertrekken |
| jij / je | jij gaat vertrekken |
| u | u gaat vertrekken |
| hij / zij / het | hij / zij / het gaat vertrekken |
| wij / we | wij gaan vertrekken |
| jullie | jullie gaan vertrekken |
| zij / ze | zij gaan vertrekken |
zullen + infinitive at the end, more formal than gaan + infinitive and preferred for promises, offers and predictions.
| ik | ik zal vertrekken |
| jij / je | jij zult / zal vertrekken |
| u | u zult vertrekken |
| hij / zij / het | hij / zij / het zal vertrekken |
| wij / we | wij zullen vertrekken |
| jullie | jullie zullen vertrekken |
| zij / ze | zij zullen vertrekken |
zullen + hebben/zijn + past participle, for something that will already be finished by a future point.
| ik | ik zal zijn vertrokken |
| jij / je | jij zult / zal zijn vertrokken |
| u | u zult zijn vertrokken |
| hij / zij / het | hij / zij / het zal zijn vertrokken |
| wij / we | wij zullen zijn vertrokken |
| jullie | jullie zullen zijn vertrokken |
| zij / ze | zij zullen zijn vertrokken |
zou(den) + infinitive, for hypothetical or polite statements; the if-clause of a hypothetical sentence uses the ordinary imperfect, not a special mood (Als ik meer geld had, zou ik verhuizen). Modern Dutch has no living subjunctive: wishes use mogen or laten (Moge het goed gaan; Laten we hopen), and a few frozen phrases keep an old form (Het zij zo, God hebbe zijn ziel).
| ik | ik zou vertrekken |
| jij / je | jij zou vertrekken |
| u | u zou vertrekken |
| hij / zij / het | hij / zij / het zou vertrekken |
| wij / we | wij zouden vertrekken |
| jullie | jullie zouden vertrekken |
| zij / ze | zij zouden vertrekken |
zou(den) + hebben/zijn + past participle, for something that would have happened under different circumstances.
| ik | ik zou zijn vertrokken |
| jij / je | jij zou zijn vertrokken |
| u | u zou zijn vertrokken |
| hij / zij / het | hij / zij / het zou zijn vertrokken |
| wij / we | wij zouden zijn vertrokken |
| jullie | jullie zouden zijn vertrokken |
| zij / ze | zij zouden zijn vertrokken |
The bare stem serves as the imperative for both one person and several addressed informally (Werk!); u adds -t, same as the present tense (Werkt u!). There is no true first- or third-person imperative - "let's" uses laten we + infinitive, and "let him/them" uses laat + subject + infinitive. To say "don't", add niet after the verb (Werk niet! Wees niet bang!). There is no first-person form: use laten we... for "let's".
| ik | — |
| jij / je | vertrek! |
| u | vertrekt u! |
| hij / zij / het | laat hem / haar vertrekken |
| wij / we | laten we vertrekken! |
| jullie | vertrek! |
| zij / ze | laat hen / ze vertrekken |
| We vertrekken morgenvroeg naar het nieuwe huis. | We're leaving for the new house tomorrow morning. |
| Ze zijn al vertrokken naar het consulaat. | They've already left for the consulate. |
Practice Vertrekken and every other verb with flashcards and verb drills in the Language Trip app and website. Free, no account needed, no ads.