Language Trip

Conjugation › Dutch › Zeggen

Dutch · Verb Tables · Advanced

Zeggen Conjugation

zeggen means "to say" in Dutch. Present: ik zeg, jij / je zegt, u zegt, hij / zij / het zegt, wij / we zeggen, jullie zeggen. Below: all 22 tenses we teach, with examples.

Present Onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)

Stem (infinitive minus -en) for ik; stem + -t for jij, u, hij; -en in the plural. After inversion the -t of jij is dropped (werk jij?). Used for now, habits, general truths and, very often, for the near future.

ikzeg
jij / jezegt
uzegt
hij / zij / hetzegt
wij / wezeggen
julliezeggen
zij / zezeggen

Simple past Onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)

Weak verbs add -te/-de (-ten/-den in the plural) to the stem, chosen by 't kofschip; strong verbs change the stem vowel and take no ending in the singular. Used for narration and for completed actions told as a story, especially in writing.

ikzei
jij / jezei
uzei
hij / zij / hetzei
wij / wezeiden
julliezeiden
zij / zezeiden

Present perfect Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

Hebben or zijn in the present + past participle at the end of the clause. Zijn is used with verbs of change of place or state (ben gegaan, is gebleven) and hebben with most others; lopen takes hebben for the activity (ik heb een uur gelopen) and zijn for movement to a goal (ik ben naar huis gelopen). The usual past tense in conversation.

ikheb gezegd
jij / jehebt gezegd
uhebt gezegd
hij / zij / hetheeft gezegd
wij / wehebben gezegd
julliehebben gezegd
zij / zehebben gezegd

Past perfect Voltooid verleden tijd (v.v.t.)

Had/was + past participle; an action completed before another past moment. Same hebben/zijn choice as in the perfect.

ikhad gezegd
jij / jehad gezegd
uhad gezegd
hij / zij / hethad gezegd
wij / wehadden gezegd
julliehadden gezegd
zij / zehadden gezegd

Future Onvoltooid toekomende tijd (o.t.t.)

Zullen + infinitive at the end of the clause. Jij zult is standard; jij zal is very common in speech. It often expresses assumption (dat zal wel) more than plain future; the present tense is the everyday way to refer to the future.

ikzal zeggen
jij / jezult zeggen
uzult zeggen
hij / zij / hetzal zeggen
wij / wezullen zeggen
julliezullen zeggen
zij / zezullen zeggen

Near future with gaan Gaan-toekomst

Gaan + infinitive; a planned or imminent action, the most common spoken future. Not used for the verb gaan itself in the same way (je gaat gaan sounds clumsy).

ikga zeggen
jij / jegaat zeggen
ugaat zeggen
hij / zij / hetgaat zeggen
wij / wegaan zeggen
julliegaan zeggen
zij / zegaan zeggen

Future perfect Voltooid toekomende tijd (v.t.t.)

Zullen + hebben/zijn + past participle; an action that will be completed by a future moment, or a probable inference about the past (hij zal wel gewerkt hebben). Formal in tone.

ikzal hebben gezegd
jij / jezult hebben gezegd
uzult hebben gezegd
hij / zij / hetzal hebben gezegd
wij / wezullen hebben gezegd
julliezullen hebben gezegd
zij / zezullen hebben gezegd

Conditional / past future Onvoltooid verleden toekomende tijd; conditionalis

Zou/zouden + infinitive. Used for hypotheses, polite requests and reported future from a past viewpoint (hij zei dat hij zou komen), so the "past future" and the conditional share one form.

ikzou zeggen
jij / jezou zeggen
uzou zeggen
hij / zij / hetzou zeggen
wij / wezouden zeggen
julliezouden zeggen
zij / zezouden zeggen

Conditional perfect / future perfect in the past Voltooid verleden toekomende tijd

Zou/zouden + hebben/zijn + past participle; an unreal past (als ik had gewerkt, zou ik het hebben gehaald) and the past-viewpoint equivalent of the future perfect. In speech zou gewerkt hebben is equally common.

ikzou hebben gezegd
jij / jezou hebben gezegd
uzou hebben gezegd
hij / zij / hetzou hebben gezegd
wij / wezouden hebben gezegd
julliezouden hebben gezegd
zij / zezouden hebben gezegd

Affirmative imperative Gebiedende wijs, bevestigend

Bare stem for jij (werk!). The polite u form is stem + -t with u after it (werkt u!, komt u binnen); jullie takes stem + -t. No first-person-singular imperative exists; we-hortative uses laten we. A Stems ending in -t keep it (wacht u!).

ik—
jij / jezeg
uzegt u
hij / zij / het—
wij / welaten we zeggen
julliezegt
zij / ze—

Negative imperative Gebiedende wijs, ontkennend

Same forms with niet after the verb. Signs and general prohibitions use the infinitive instead (niet roken, niet lopen).

ik—
jij / jezeg niet
uzegt u niet
hij / zij / het—
wij / welaten we niet zeggen
julliezegt niet
zij / ze—

Infinitive Onbepaalde wijs (infinitief)

Stem + -en (or -n after vowels). Also the dictionary form; after most modals it stands without te.

zeggen

Infinitive with te Te-infinitief

Te + infinitive after many verbs and adjectives (proberen, beginnen, hoeven, zonder, om); the pre-verb form is aan het for progressive and om ... te for purpose.

te zeggen

Present participle Tegenwoordig deelwoord

Infinitive + -d (werkend, lopend); mostly adjectival or adverbial and rather written (de werkende bevolking, lachend zei hij).

zeggend

Past participle Voltooid deelwoord

Ge- + stem + -t/-d for weak verbs (gewerkt, gewoond), ge- + changed stem + -en for strong verbs (gelopen). The ge- is dropped with inseparable prefixes (beginnen > begonnen).

gezegd

Nominalised infinitive Zelfstandig gebruikt infinitief

Het + infinitive acts as a neuter noun (het werken, het wonen, het lopen).

het zeggen

Present passive (impersonal) Lijdende vorm, o.t.t.

Worden + past participle. The three model verbs are intransitive, so only the impersonal er wordt gewerkt exists (third person, no subject); a transitive verb like lezen forms the full set: het boek wordt gelezen, de boeken worden gelezen.

ikword gezegd
jij / jewordt gezegd
uwordt gezegd
hij / zij / hetwordt gezegd
wij / weworden gezegd
jullieworden gezegd
zij / zeworden gezegd

Past passive (impersonal) Lijdende vorm, o.v.t.

Werd + past participle; with transitive verbs: het boek werd gelezen.

ikwerd gezegd
jij / jewerd gezegd
uwerd gezegd
hij / zij / hetwerd gezegd
wij / wewerden gezegd
julliewerden gezegd
zij / zewerden gezegd

Perfect passive (impersonal) Lijdende vorm, v.t.t.

Is/zijn + past participle (worden is left out): er is gewerkt, het boek is gelezen.

ikben gezegd
jij / jebent gezegd
ubent gezegd
hij / zij / hetis gezegd
wij / wezijn gezegd
julliezijn gezegd
zij / zezijn gezegd

Pluperfect passive (impersonal) Lijdende vorm, v.v.t.

Was/waren + past participle: er was gewerkt, het boek was gelezen.

ikwas gezegd
jij / jewas gezegd
uwas gezegd
hij / zij / hetwas gezegd
wij / wewaren gezegd
julliewaren gezegd
zij / zewaren gezegd

Future passive (impersonal) Lijdende vorm, toekomst

Zullen + worden + past participle: er zal worden gewerkt (also: zal gewerkt worden).

ikzal worden gezegd
jij / jezult worden gezegd
uzult worden gezegd
hij / zij / hetzal worden gezegd
wij / wezullen worden gezegd
julliezullen worden gezegd
zij / zezullen worden gezegd

Conditional passive (impersonal) Lijdende vorm, conditionalis

Zou + worden + past participle: er zou worden gewerkt.

ikzou worden gezegd
jij / jezou worden gezegd
uzou worden gezegd
hij / zij / hetzou worden gezegd
wij / wezouden worden gezegd
julliezouden worden gezegd
zij / zezouden worden gezegd

Examples

Ik zeg het hem morgen.I will tell him tomorrow.
Zeg het maar!Go ahead and say it!

Learn Dutch Free

Practice Zeggen and every other verb with flashcards and verb drills in the Language Trip app and website. Free, no account needed, no ads.

All Dutch verb tables · Basic Dutch phrases